Jacob Nammar, geboren in Jeruzalem

Ik ben een man met een gebroken hart. Ik kom uit Jeruzalem, mijn gebroken vaderland, en Palestina doet mij wenen. En toch heb ik enkele herinneringen die ik wil delen en een verhaal te vertellen. En dus wil ik mijn eigen verhaal toevoegen aan die van al die anderen die de etnische zuivering van Palestina hebben meegemaakt.
Jacob Nammar

ymca-tower

Het YMCA-gebouw in Jeruzalem, symbool van de gemeenschappelijkheid van de drie grote monotheïstische religies.

Stel je even voor: een zwemkampioen, een sterspeler in het Israëlische nationale basketbalteam, een gewaardeerde trainer/coach, iemand die met Paul Newman en andere sterren omging, die Leon Uris ontmoette en een figurantenrol aangeboden kreeg in de film Exodus van Otto Preminger. Een succesverhaal voor iedereen zou je denken, maar voor een Palestijn in Jeruzalem tijdens de beginjaren van Israël is het wel heel bijzonder.

Jacob Nammar werd in 1941 geboren in West-Jeruzalem, dat in die tijd voornamelijk bewoond werd door Palestijnen van de hogere middenklasse. Hij stamt uit een oud geslacht van handelaren. Een groep van de Nammareh-clan werd in 1807 aangesteld als architecten van Jeruzalem in het Ottomaanse Rijk. In de 19e eeuw, toen gasverlichting en betere bescherming door de gemeente Jeruzalem het mogelijk maakten de overvolle, ommuurde Oude Stad te verlaten, begonnen veel Palestijnen buitenwijken aan te leggen in wat tegenwoordig West-Jeruzalem is. Het is de enige familie naar wie een wijk in Jeruzalem is genoemd: al-Nammareh. Het is een familie van christelijke Palestijnen.

Enkele jaren geleden publiceerde Jacob Nammar, die tegenwoordig in de Verenigde Staten woont, een korte autobiografie. Het boekje beslaat de periode van zijn prille jeugd tot zijn vertrek naar Amerika in 1964. In twaalf korte hoofdstukken en een nawoord wordt een beeld geschetst van een Palestijnse familie die alles in zich had om deel uit te maken van een democratische, pluriforme maatschappij. Slechts zeer weinig Palestijnen bleven in West-Jeruzalem na de stichting van de staat Israël. Anders dan in gebieden als de Galilee, de Driehoek en de Negev-woestijn, waar Palestijnen uiteindelijk als concentraties van minderheden zouden blijven, was de situatie in West-Jeruzalem uitzonderlijk. Zo’n 200.000 mensen werden verdreven naar het oostelijk deel en het was te danken aan “een fout in de militaire logistiek”, zoals historicus Salim Tamari in het voorwoord schrijft, dat er enkele Palestijnen in volledig isolement in West-Jeruzalem achterbleven.

Maar er was meer atypisch aan de familie van Jacob. Zijn vader was ook in Jeruzalem geboren en werkte als reisleider op bussen, zowel naar steden in Palestina als naar Beiroet, Damascus en Cairo. In Beiroet had hij een Armeense vrouw ontmoet, een weduwe met een jonge zoon, met wie hij zich aanvankelijk alleen in het Turks verstaanbaar kon maken, aangezien hij geen Armeens sprak en zij geen Arabisch. Zij was vijf jaar toen haar familie werd uitgemoord tijdens de Armeense genocide en werd later door een groep vrouwen uit het Armeense verzet naar Beiroet gebracht. Het was Jacob al snel duidelijk dat Tuma de ware voor hem was, maar dat werd hem niet in dank afgenomen door zijn familie. Het was gebruikelijk dat mannen een nicht uitzochten ergens binnen de zeer uitgebreide familie. Yousef hield echter voet bij stuk, trouwde met haar in Beiroet, adopteerde haar zoon en smokkelde beiden naar Jeruzalem in het bagagecompartiment van zijn bus. Het betekende wel dat zijn familie lange tijd niets meer met hem te maken wilde hebben, maar uiteindelijk kwam dat toch weer goed, niet in de laatste plaats vanwege de kookkunsten van Tuma.

De ouders van Jacob hadden overal vrienden onder de joden, moslims en christenen. Jacobs familie had in de 19e eeuw ooit een forse donatie gedaan voor een synagoge en dat waren de Palestijnse joden niet vergeten. Ook Tuma maakte al snel joodse vrienden en bij sommige ging ze op vrijdagavond de lichten uitdoen om ze zaterdagavond weer aan te doen, iets wat de joden zelf niet mochten doen op de sjabbat. Zijn ouders droegen zelf westerse kleren, maar stonden open voor alle culturen die ze daar tegenkwamen, wat in het boek van Jacob een terugkerend thema is.

Zijn verlangen om gewoon op basis van menselijke waarden samen te leven werd door de zionisten echter de kop ingedrukt.
Dankzij Jacobs grootmoeder werd de familie van vader Yousef en moeder Tuma uiteindelijk weer in de armen gesloten, wat betekende dat ze de beschikking kregen over een groot huis met een groentetuin en fruitbomen in hun eigen wijk Haret al-Nammareh.

De jeugd van Jacob werd bepaald door de warme familiebanden en de prachtige locatie waar ze woonden. Het was een onbezorgde jeugd waar echter veel te vroeg een einde aan zou komen. Maar de liefde van zijn ouders, broers en zussen en het feit dat hij de eerste zeven jaar goed te eten kreeg, hebben er ongetwijfeld aan bijgedragen dat hij later een unieke maar veel te korte carrière kon maken.

De familie had persoonlijk nog niet veel te maken gehad met de joodse terreurbendes die aanslagen pleegden, totdat de schoolbus waarin Jacob zat beschoten werd. Twee medescholieren werden daarbij gedood en velen raakten gewond. Op dat moment verloor hij de rust en geborgenheid van zijn jeugd en begonnen de zware jaren. Niet veel later kwam het geweld opnieuw dichtbij door de aanslag op het Koning Davidhotel op 22 juli 1946, in opdracht van Menachem Begin, de latere premier van Israël. Jacobs halfbroer Mihran werkte in het hotel als receptionist en had de terroristen – verkleed als Arabieren – zien binnenkomen, maar hij had zich net op tijd achter een stapel matrassen kunnen verstoppen en was zo ongedeerd gebleven. Er waren vele doden en gewonden, dus de angst zat er goed in bij de familie. De kinderen mochten de straat niet meer uit en moesten zich rond het huis maar zien te vermaken. En het echte geweld moest nog komen.

nammar

Jacob Nammar

De nakba

De nakba, de Palestijnse catastrofe, begon voor Jacob op de dag voor zijn zevende verjaardag, op 15 mei 1948. De nikayon, de Hebreeuwse term waarmee de etnische zuivering van de Palestijnen werd aangeduid, was al veel eerder begonnen. Er waren al zo’n vijftien bloedbaden onder de burgers van Palestijnse dorpen aangericht, waarvan die in Deir Yassin het meest tot de verbeelding sprak. En er waren al talloze dorpen ontruimd en vernield en honderdduizenden Palestijnen waren al op de vlucht geslagen of verdreven voordat er sprake was van de “Onafhankelijkheidsoorlog”.

In West-Jeruzalem was het tot die fatale datum van 15 mei nog betrekkelijk rustig geweest. Nu begonnen de zionisten de buitenwijken waar de Palestijnse middenklasse woonde te ontruimen. In 1948 woonden er voornamelijk Palestijnen in West-Jeruzalem, maar dat werd snel anders. Legerauto’s reden rond met luidsprekers waaruit duidelijke dreigementen klonken als “Als jullie niet vertrekken wacht jullie hetzelfde lot als Deir Yassin!

Maar de familie Nammar was helemaal niet van plan te vertrekken. Ze besloten bescherming te zoeken in de Duitse Kolonie, waar zich onder andere een school en een ziekenhuis bevonden. Moeder Tuma had altijd een goede relatie gehad met de nonnen daar. Onderweg werden ze echter staande gehouden door leden van een zionistische militie. Jacobs vader en zijn halfbroer Mihran moesten mee. Het zou jaren duren voordat ze elkaar weer zouden zien. De rest van de familie vond tijdelijk beschutting bij de nonnen en besloot na een week hun huis weer op te zoeken. Daar wachtte hen opnieuw een onaangename verrassing. Alles was vernield en alles van enige waarde, inclusief de etensvoorraden, waren gestolen. Niet alleen bij hun huis, maar bij alle huizen in de straat. Verhalen over plunderingen en verkrachtingen deden de ronde, zelfs de ringen en juwelen van gedode Palestijnen waren geroofd. Deels was dat oorlogsbuit van de milities, maar er zat duidelijk ook een plan achter, want tienduizenden vaak kostbare boeken en documenten werden gestolen uit bibliotheken en andere locaties en overgebracht naar de Nationale Bibliotheek waar ze het label “verlaten eigendommen” kregen. Het was het begin van de vernietiging van de Palestijnse cultuur.

Toch trokken ze weer in hun huis en probeerden ze er het beste van te maken. Maar dat zou niet lang duren. Op een dag verschenen er soldaten die hun vertelden dat ze voor hun eigen veiligheid naar een andere locatie overgebracht zouden worden. “Het is een tijdelijke maatregel”, zei men er nog bij. Ze werden overgebracht naar een deel van West-Jeruzalem dat een militaire veiligheidszone bleek te zijn, bekend als Zone A. Het was een getto, omringd door metershoog prikkeldraad, met gewapende soldaten die de wacht hielden en niemand binnenlieten of naar buiten lieten gaan. De familie Nammar, nu bestaande uit een moeder met zeven jongen kinderen, dacht toen nog steeds dat het tijdelijk zou zijn. Ze hadden de sleutel van hun huis op zak.

De situatie in het getto was rampzalig. Mensen dreigden er te verhongeren. Men was voor voedsel volledig aangewezen op wat de UNRWA uitdeelde, een organisatie die door de Verenigde Naties speciaal voor de Palestijnse vluchtelingen in het leven was geroepen. Iedereen werd broodmager, dus het was maar goed dat de kinderen jarenlang goed te eten hadden gekregen, zodat ze allemaal sterk en gezond waren. Maar er waren geen nieuwe kleren, er was geen speelgoed voor de kinderen en uiteraard druppelden er verhalen binnnen over wat de zionisten allemaal uitspookten in het land. Vooral Jacobs moeder was erg bang, vanwege haar eigen jeugdervaringen en het verlies van haar man en zoon, van wie niemand wist of ze nog in leven waren. Ze was bang dat de zionisten met de Palestijnen zouden doen wat de Turken met de Armeniërs hadden gedaan.

Pas begin jaren vijftig, 2,5 jaar na de oprichting van de staat Israël, werd de openluchtgevangenis ontmanteld. Ze ontvingen identiteitskaarten, speciaal voor Palestijnen, die afweken van de identiteitskaarten van de geprivilegieerde joden. Toen al waren er tientallen wetten die niet-joden discrimineerden. Maar ze mochten in ieder geval weer weg. De eerste impuls was uiteraard terug naar huis, maar hun huis bleek te zijn overgenomen door net aangekomen joodse immigranten uit Polen die uitsluitend Jiddisch spraken. Ze hadden het huis door de regering toegewezen gekregen en hadden bovendien te horen gekregen dat God hun het land beloofd had. Protesten hielpen niet, het werd alleen maar vreemder. Nu werd de hele familie betiteld als “aanwezige afwezigen“, ze hadden de status van interne vluchtelingen gekregen aangezien ze “hun eigendommen hadden achtergelaten” en de zionisten waren er als de kippen bij om een wet op te stellen die al die eigendommen aan de staat deed toekomen. Pas vele jaren later hoorde Jacob dat het land en het onroerend goed van de familie geregistreerd stond in de Ottomaanse archieven en tevens bij het kadaster van de Britse regering. Maar toen was het te laat.

Dat betekende dat de familie moest terugkeren naar het armoedige onderkomen in Zone A. Het enige lichtpuntje was dat Mihran na drie jaar van mensonterende toestanden in diverse gevangenissen was vrijgelaten. Maar Baba, hun vader, was naar Jordanië overgebracht. Pas veel later kon een andere broer van Jacob, Daoud, die werk had gekregen in het Koning Davidhotel, via contacten met een Amerikaanse generaal zorgen voor de terugkomst van Baba. Maar de ooit sterke en levenslustige man was lichamelijk en psychisch kapotgemaakt tijdens zijn gevangenschap. Meer nog dan de zionisten haatte hij de Britten die dat allemaal mogelijk hadden gemaakt.

De kinderen hadden 2,5 jaar geen school gehad, maar de katholieke kerk opende twee scholen voor Palestijnen in West-Jeruzalem, eentje voor meisjes en eentje voor jongens. Voor het merendeel waren het Palestijnse christenen en moslims, maar er waren ook kinderen van buitenlandse diplomaten. Aanvankelijk kwam Jacob bij de meisjes te zitten, maar vanaf zijn twaalfde jaar ging hij naar de jongensschool Terra Sancta, die geleid werd door Italiaanse franciscaanse priesters. Er was ook veel ruimte voor sport en al snel viel op dat Jacob een geweldige atleet was.

De YMCA

Het gebouw van de Young Men’s Christian Association (YMCA) in Jeruzalem werd in 1933 gebouwd en staat recht tegenover het Koning Davidhotel. Het is een teken aan de wand dat deze organisatie beter dan welk zionistisch instituut dan ook de interreligieuze, interraciale en vreedzame samenleving propageerde. Het gebouw van de befaamde Amerikaanse architect Arthur Loomis Harmon is ook helemaal volgens dat principe ontworpen. Het symboliseert de drie monotheïstische godsdiensten samen in één vloeiend concept. Tijdens de oorlog van 1948 was het onder meer het onderkomen van het Internationale Rode Kruis.
Jacob kwam daar wel eens om in de tuin te spelen en werd een keer in het water geduwd. Hij kon niet zwemmen en toen hij lag te spartelen werd hij gered door de directeur lichamelijke opvoeding zelf, die hem bovendien uitnodigde deel te nemen aan zwemlessen.

De YMCA betekende een ommekeer in Jacobs leven. Hij kon zo de deprimerende flat in Zone A ontvluchten en hoefde niet op straat rond te hangen. Hij was goed in allerlei sporten en werd al snel door verschilende coaches gevraagd mee te doen in zwem-, voetbal- of basketbalteams. In 1955 verbeterde hij zelfs het nationale record op de honderd meter rugslag. Hij deed ook aan lange-afstandzwemmen in het Meer van Tiberias. Tijdens die kilometers in het water kon hij rustig nadenken over het lot van zijn volk en land, en kon hij zijn agressie op een positieve manier aanwenden.

Nationale bekendheid

Hij was ook de sterspeler van het basketbalteam van de YMCA en trok al snel de aandacht van de nationale teams. Als enige Palestijn ging hij voor Hapoel Yerushalaim spelen en het duurde niet lang voordat hij werd uitgenodigd voor het nationale team. Hij werd ‘de tijger van Jeruzalem‘ genoemd, afgeleid van zijn naam (nimer is tijger in het Hebreeuws en Arabisch). Hij kreeg veel aandacht in de pers, maar door zijn voornaam Ya’coub, wat in het Hebreeuws Ya’cov werd (en tegenwoordig dus Jacob) werd hij gezien als een gewone Israëlische – lees joodse – burger. Maar dat was in de pers. Tijdens zijn wedstrijden voor Hapoel Yerushalaim werd hij vaak gediscrimineerd en uitgescholden voor “goj” (niet-jood), of kreeg hij te horen “Jij hoort niet in dit land”.

Als sterspeler had hij desalniettemin niet te klagen over aandacht van vrouwen en hij had kort een relatie met een joodse vrouw, totdat haar vader dat onmogelijk maakte. Aan zijn basketbalcarrière kwam echter abrupt een einde. Het bleek dat de joodse sponsors uit de Verenigde Staten niet wilden dat een Palestijn Israël zou vertegenwoordigen op de Olympische Spelen. Er werden joodse spelers uit Amerika gehaald om zijn plaats in te nemen!

Meer discriminatie en het vertrek

Het werd steeds duidelijker wat de bedoeling van de zionisten was. Een zuster van Jacob was een bekwame naaister en zij werd aangenomen door een joodse familie uit Marokko, door wie ze aanvankelijk goed behandeld werd. Maar toen zij een aantal joodse immigranten de fijne kneepjes van het vak had geleerd kon ze vertrekken. Ze kreeg nu opeens te horen dat het haar land niet was en dat ze het land moest verlaten.

Het werd steeds moeilijker voor de familie om nog iets van een normaal leven te leiden. Werk was heel moeilijk te krijgen, er was voortdurende en agressieve discriminatie. De familieleden vertrokken een voor een naar het buitenland, Jacob bleef alleen achter. Maar in 1964 kon hij er niet meer tegen en besloot ook hij te vertrekken. Met pijn in het hart. Het Jeruzalem waar vele generaties van zijn familie waren opgegroeid, waar ze hadden gewoond, gewerkt en gebouwd en liefgehad, was onherkenbaar veranderd. Het was een vijandige plek geworden voor de oorspronkelijke bewoners. Hij beklom de prachtige toren van het YMCA-gebouw om nog één keer de Oude Stad in zich op te nemen. Toen vertrok hij naar Amerika, waar hij nu nog woont.

Engelbert Luitsz

nammar_boek

Jacob J. Nammar, Born in Jerusalem, Born Palestinian, A Memoir, 2012

11 comments for “Jacob Nammar, geboren in Jeruzalem

Comments are closed.