De morele afgrond van de mens

Gisteren stond er een mooi pamflet van Maarten ‘t Hart in de NRC. Vermomd als historisch betoog is het eigenlijk een ethisch vraagstuk: Waarom blijven mensen lid van een club die van meet af aan alle normen van moreel gedrag aan z’n laars heeft gelapt? Welke emotie dwingt ons geen afstand te nemen van misdaden die direct of indirect uit onze naam worden begaan?
Het geloof werd er ingestampt door middel van herhaling. Elke dag dezelfde teksten, elke week dezelfde preken. Stel je voor dat kinderen zouden opgroeien met een dagelijkse portie Spinoza, zou dat niet tot een betere wereld leiden?
Het christendom is een ontzagwekkend marketingsucces geweest. Als je de seksualiteit, een van de meest basale en noodzakelijke biologische erfenissen, kunt ombuigen tot een wapen door mensen angst voor de hel aan te praten, dan heb je echt  iets bereikt. Vernietig daarnaast alle filosofische concurrentie die zich niet houdt aan de scala naturae van Aristoteles of de ideeënleer van Plato en je hebt een recept voor eeuwenlange stilstand in de wetenschap, eng nationalistisch groepsdenken en gewetenloos uitmoorden van andersdenkenden.

‘t Hart zoekt de oorzaak voor de apathische achterban van de katholieken bij het ontbreken van een klassenstrijd of een leergeschil. Tot voor kort was er nauwelijks sprake van een tweestrijd tussen geloof en ratio. Religie bepaalde de horizon van het denken. Interne strijd werd veelal beslecht in kerkscheuringen of door kleine sektes die zich afzonderden van het corrupte instituut.

In feite ligt aan vrijwel alle kerkscheuringen klasseverschil ten grondslag.

Hervormers als Luther of Calvijn zetten ook vraagtekens bij de meer mystieke rituelen van de kerk, zoals de hostie en de wijn:

Het is duidelijk, en ook begrijpelijk, dat fatsoenlijke mensen al van oudsher moeite hebben gehad met het idee dat je je tijdens de mis aan kannibalisme bezondigde.

Op basis van de bevindingen van Deetman c.s. zou Wilders zijn pijlen beter kunnen richten op de Rooms-Katholieke Kerk in plaats van op de islam, vindt ‘t Hart. Hij sluit ook niet uit dat de terugval van het CDA – te wijten aan verdeeldheid omtrent steun aan Wilders – deel is van de verborgen agenda van de PVV.
Er is dus geen verschil tussen arm en rijk, en zelfs praktiserende katholieken nemen “die flauwekul over de aftandse firma God & zoon” niet langer serieus. Er is wel een verschil tussen jong en oud, maar – en hier komt de bioloog om de hoek kijken – in primatenkolonies komen jongeren in opstand tegen de ouderen, omdat die laatsten toegang hebben tot de wijfjes. Ook dit generatieverschil is in de cultuur van homo sapiens niet langer relevant. Integendeel.

Het is wel jammer dat de analyse blijft steken bij historische en ethologische parallellen. Hij komt niet verder dan een kreet van verontwaardiging:

Ik vind het totaal onbegrijpelijk dat nog enig fatsoenlijk mens lid kan of wil blijven van zo’n organisatie.

Verkrachting, soldaten die urineren over hun slachtoffers, gruwelijke martelpraktijken zijn aan de orde van de dag in conflictgebieden. Ieder mens dat daaraan deelneemt als dader is lid van een groep. De sociale band of de status van het lidmaatschap weegt kennelijk zwaarder dan de morele overwegingen. En stap je om humanitaire redenen uit een groep, dan ben  je  een verrader, een paria. Je moet op zoek naar een nieuw houvast met dezelfde emotionele waarde en dat is voor velen bijna onmogelijk als je al ver voorbij de puberteit bent.

Waarom katholieken niet in opstand komen” is een terechte aanklacht van het kind dat leerde “dat de Rooms-Katholieke Kerk reeds tweeduizend jaar de oudste en grootste misdadigersbende ter wereld is”, maar van de bioloog Maarten ‘t Hart zou je liever ook het bredere verband besproken hebben gezien: het is de mens eigen zich in allerlei bochten te wringen om het onaanvaarbare te aanvaarden, zolang er geen alternatief is met dezelfde emotionele waarde. De misstanden in de kerk, en niet alleen in de katholieke – het bewijs dat het celibaat niet de hoofdschuldige kan zijn -, zijn symptomatisch voor de geneste groepsvorming die het sociaal-zijn met zich meebrengt.

Een beter begrip van hoe dit kon gebeuren zou zeer welkom zijn om andere processen in de maatschappij beter te begrijpen. Door de focus te blijven leggen op een bepaalde persoon, groep, of historische ontwikkeling, lopen we het risico dat de perceptie van het publiek er een is van wat ik maar het rotte-appelsyndroom noem. Iets waarmee machthebbers graag schermen als er binnen de gelederen kwalijke zaken naar boven komen. Maar of het nu gaat om de kerk, het leger, de PVV: it’s the system, stupid! 

 Engelbert Luitsz

Maarten ‘t Hart: Waarom katholieken niet in opstand komen
NRC dinsdag 24 januari 2012
Katern Mens &, pagina 7

2 comments for “De morele afgrond van de mens

Comments are closed.